Bezoek van E.W.Dijkstra aan l’Alpe d’Huez, 8 – 15 december 1972.

Omdat ik zo kort na Sinterklaas niet over mijn hart verkrijgen kon om van mijn nieuwste kleinood afscheid te nemen, werd ik door Finair en Air Inter door de lucht zuidwaarts vervoerd, terwijl ik Stefan Zweig’s “Die Welt von Gestern” zat te lezen, een boek, waarvan hele passages, afgezien van de kwaliteit van het Duits, voor je gevoel vandaag geschreven zouden kunnen zijn. Het boek is in weerwil van zijn sereniteit nauwelijks geruststellend te noemen, integendeel: zijn beschrijving van de “democratisering” van het onderwijs in Oostenrijk na de eerste wereldoorlog —compleet met slogans uit het leven van vandaag gegrepen— is ronduit alarmerend, vooral wanneer je weet dat in 1932, een vol jaar voor de Putsch, de Duitse universiteiten in meerderheid allang voor Hitler gekozen hadden. Maar het was allemaal daar: de hervorming van het Duits, zowel het geschrevene als het gesprokene, de afschaffing van de bijzin (wat zoals bekend tot een soort heiblokstijl aanleiding geeft), de afschaffing van het “der, die, das”, de unisex-kleding en de oudere hoogleraren, die zich belachelijk maken in een verkrampte poging om al meedoend niet uitgerangeerd te worden. Weinig vermoedde ik, al opstijgend uit Parijs, hoe-snel ik aan deze passages herinnerd zou worden.

Dankzij het feit, dat ik op Schiphol de vorige nacht in hotel Frommer had geslapen, kwam ik op zaterdagmorgen zonder zenuwslopend geren en gedraaf in de Caravelle van Finair, die mij op voorbeeldige wijze naar Paris-Orly vloog. Met zorg had ik een tweetal vluchten uitgezocht, zodat ik in Parijs op hetzelfde vliegveld uit Amsterdam zou aankomen, als waarvan ik naar Grenoble zou vertrekken. Omdat ze me in Amsterdam, waar mijn bagage naar Grenoble was doorgeboekt, geen uitsluitsel konden geven over de vraag, of ik in Parijs nog aandacht aan mijn bagage moest besteden, was dit een van de eerste dingen, die ik in Parijs informeerde. Voor de zekerheid heb ik dit bij een aantal instanties geinformeerd, maar allen zeiden, dat als mijn bagage naar Grenoble was doorgeboekt, dat ik dan er niet naar hoefde om te zien. Wie schetst mijn verbazing (en ergernis, dat garandeer ik je!), toen mijn naam, vijf minuten voordat we aan boord zouden, werd omgeroepen en ik te horen kreeg, dat ik heel snel naar de douane moest rennen, om mijn koffer in te klaren! In mijn eerste poging verdwaalde ik —de instrucites, die ik gekregen had, waren natuurlijk onduidelijk en er stonden ook geen bordjes—; dus rende ik terug naar de balie, vanwaar ik weggestuurd was en heb ik een juffrouw van Air Inter zover gekregen om me naar mijn douanier te brengen. Hijgend, het laatste restje van mijn energie met vloeken verdoend, kwam ik, waarachtig met koffer en al, in het vliegtuig naar Grenoble. Ook aan deze ervaring zou ik, voordat ik heelhuids thuis was, nog eens herinnerd worden.

In het vliegtuig van Parijs naar Grenoble trof ik (zoals ik verwacht had) Brian Randell uit Newcastle en (wat ik niet verwacht had, maar wel had kunnen verwachten, want die man kom je op de meest ongelegen ogenblikken tegen), Helms uit Denemarken; Helms wist te melden, dat prof.L.Bolliet ons niet, zoals hij had toegezegd, zou komen halen, omdat hij op zondag 3 december, de dag voordat de “Advanced Course” zou beginnen, op de piste een been gebroken had: bij een val had een van de skis niet goed losgelaten. Gelukkig was er een taxi, en naarmate de reis naar Alpe d’Huez vorderde, begon ik het eigenlijk steeds prettiger te vinden, dat niet Bolliet, maar een professionele chauffeur ons naar boven loodste: de weg werd steeds steiler, de haarspeldbochten werden werden steeds scherper en tot overmaat van ramp kwamen we in een dichte mist, die het zicht tot enkele meters reduceerde. Met mijn kijker in mijn koffer (“om van de vergezichten te genieten”) begon ik me knap belachelijk te voelen! Maar ziet: enkele meters voor de laatste haarspeldbocht waren we plotseling uit de wolken en reden we door een fascinerend sneeuwlandschap!

De, ik zal maar zeggen, “winterschool” werd juist voor de opening van het seizoen gehouden, het dorpje was grotendeels nog bezig, uit zijn zomerslaap te ontwaken. Er was al wel wat sneeuw, hoewel men zich over de hoeveelheid ernstig zorgen maakte en eigenlijk niet goed zag, hoe men “de kerstdagen door zou moeten komen”. (De vorige keer, dat ik ’s winters in Grenoble geweest ben was in dezelfde tijd van het jaar; toen was het vlak voor de Olympische Winterspelen en toen lagen ze ook over een tekort aan sneeuw in de zenuwen!) De helft van de liften waren operationeel en blijkens Bolliet’s ervaring lag er genoeg sneeuw om een been te breken. Dit was mijn eerste bezoek aan een wintersportplaats; als het aan mij ligt, zal het ook mijn laatste zijn. De hele klont gebouwen tegen de berghelling trof mij in zijn ontoegankelijkheid als een soort derderangs Shangri-La en in het hotel was niet eens een piano. Daarenboven bekwam de plotselinge verplaatsing naar de ijle lucht mij slecht.

Het officiele programma van de winterschool was zwaar: ’s morgens van negen tot half een drie voordrachten van een uur, en laat op de middag (om cursisten de gelegenheid te geven hun been te breken) van vier tot zeven/ half acht weer drie voordrachten. Ik moest drie keer ’s morgens om negen uur spreken, wat over het algemeen een bijzonder prettig ogenblik was. Verder heb ik van de cursus niet zo erg veel voordrachten meegemaakt (over de rest van het programma moeten Rem en Keulers maar berichten), want ik werd ziek. Is het Franse eten altijd al een aanslag op mijn spijsvertering (ik ben traditioneel een willig slachtoffer van “Napoleon’s revenge”), in l’Alpe d’Huez heerste een epidemie, die zelfs Italianen velde! Ik ben een nacht, van middernacht tot vier uur ’s morgens, zo ontzettend beroerd geweest, dat ik eigenlijk nog maar een gebed had “Breng me naar huis en laat me daar sterven.” IJlend zag ik visioenen van Rem en Keulers, als geimproviseerde ziekenbroeders mij tussen zich indragend... Maar na vieren zakte de koorts en om negen uur heb ik —gesterkt door een glas melk, dat er gedurende de lezing in is gebleven— hoewel ik me vanbinnen helemaal geel voelde, mijn voordracht gehouden. Dat ging goed, maar de rest van die dag heb ik wel in bed doorgebracht, en daags daarna was het leven ook nog heel voorzichtig.

Van collegae hoorde ik verhalen uit andere Europese universiteiten, die natuurlijk allemaal met hetzelfde gedonder zitten, vaak waarschijnlijk nog geprononceerder dan wij in Eindhoven. Uit de verhalen, die ik hoorde, werd ik —ik merkte dat bij mijzelf plotseling— emotioneel verplaatst naar een sfeer, die ik beangstigend goed herkende en me herinnerde: de oorlogsjaren! Er heerst heel duidelijk een sfeer van “bezetting” en verhalen, die ik hoorde, kan ik niet anders beschrijven, dan dat wetenschap en cultuur in de illegaliteit onderduiken, om om ’s landswil geprepareerd te zijn, wanneer deze democratiseringsrazernij eenmaal is uitgewoed. Toen ik de opmerking maakte, dat die illegaliteit mij aan de oorlogsjaren deed herinneren, viel Bauer uit M¸nchen me bij met de opmerking, dat hij het recente gedrag van z.g. radicale studenten ook maar al te goed van vroeger kende ... van de S.A. Iedereen uitte zich voorzichtig; het was waarschijnlijk juist deze voorzichtigheid, die een en ander zo onheilspellend maakte.

Wachten tot de razernij is uitgewoed en kijken, wat er dan over is .... Waar een en ander b.v. in Duitsland toe leidt, heb ik in een gesprek met Bauer alleen ontdekt, toen ik er mijn verwondering over uitsprak, dat nog geen Duitse universiteit op het idee is gekomen om C.A.Petri, die per slot van rekening al meer dan tien jaar bekend is als een van Duitsland’s indringendste denkers op het gebied van automatische informatieverwerking, een hoogleraarsplaats aan te bieden. Met alle respect voor Petri werd mij uitgelegd, dat dit in het huidige bestel absoluut onmogelijk was, omdat de machinerie alleen soortgelijke mensen tolereerde, waarover de onderwijs-(en intrigue-)last verdeeld kon worden, en geen ruimte meer toestond voor de wetenschappelijke eenling , hoe begaafd ook. Belangrijker dan wat iemand doet, schijnt te worden “dat hij samenwerkt met anderen”. Ik kon niet nalaten tegenover Bauer op te merken, dat mijn Anglophilie voor een groot gedeelte is terug te voeren op (goedwillende en vaak ietwat vertederde) tolerantie van de Engelse maatschappij jegens de excentricus: ik vind dat een van de bijzonderste eigenschappen van de Engelsen. Bauer was het met me eens, er droevig aan toevoegend, dat tolerantie nu nooit een erg opvallende Duitse deugd geweest was....

Specifiek op het gebied van de informatica is er ook nog wel wat te vertellen. Ten eerste, dat het “International Institute for Software Engineering” er wel niet zal komen. Gode zij dank! Eind 67, begin 68, toen de Duitse regering voor de informatica nog geen cent over had, ja het vakgebied nog niet eens ontdekt had, was er om intern Duitse redenen pressie voor zo’n instituut. Inmiddels is de Duitse regering helemaal omgeslagen, met het gevolg, dat de Duitse universiteiten helemaal geen interesse in een dergelijk instituut meer hebben. Dan zijn de vertragingsacties van Engeland en Nederland (in weerwil van van der Poel) toch ergens goed voor geweest, want anders zaten we misschien met een organisatie opgescheept, waarvoor geen geld, geen mensen en geen doel meer was. Dit was een mooi bericht.

Een in mijn ogen even mooi bericht is het doodbloeden van ALGOL 68, waarvan speciaal in München, dat als loyaal partner is begonnen, zich steeds meer mensen afkeren. Het zou mij niet verbazen, als in Europa die kous binnen een jaar af was; je moet alleen vurig hopen, dat niet allerlei onderontwikkelde landen zich door het IFIP-stempel laten verblinden en dat over vier jaar niet Oeganda het ALGOL 68 rapport in twintig negertalen blijkt te hebben vertaald. Op het zelfde niveau lag het gerucht —ook al eerder gehoord, maar nu met wat meer klem—; dat IBM van de “unbundling” gebruik wilde maken, om zijn onvoorwaardelijke steun aan PL/I zo niet te ontnemen, dan toch wel te temperen. Het ligt voor de hand, want de investering, die er tot nog toe in gegaan is, is buiten proportie, gemeten naar de bruikbaarheid (en daarmee “de gebruiktheid”) van het product. Als ze hier op een (naar hun standaard gemeten!) “nette” manier vanaf kunnen, zullen ze het niet laten.

Verder kan gemeld worden, dat de explosieve groei van het informatica onderwijs, zoals dat in Frankrijk, Duitsland en Italie door de overheid gestimuleerd wordt, het vak dreigt te vermoorden. Bauer is met de tegenaanval begonnen en heeft in München een numerus clausus bereikt, heeft tevens bereikt, dat het aantal universiteiten, dat met informatica zal beginnen, drastisch kleiner is, dan aanvankelijk in veler bedoeling. Grasselli in Pisa is minder gelukkig, hij is in dezelfde situatie als wij en moet ook elke student nemen. Hier is het aantal studenten in de informatica opgelopen tot 1700 en van de opleiding is, voorzover hij iets heeft voorgesteld, niets meer over. Hoe de situatie in Frankrijk is, heb ik beleefdheidshalve niet aan mijn gastheer gevraagd: van Alain Martin hadden we een indruk van Grenoble, die onlangs door enige studenten bevestigd werd. In l’Alpe d’Huez is een hoogleraar uit Parijs opgetreden en dit is zo slecht geweest,dit kunnen andere mensen geloof ik zich helemaal niet voorstellen. Arme studenten! Er worden dikke pagina’s toegevoegd aan de Aanklacht wegens Fraude, die eens zal worden uitgebracht tegen het Europese Hogeronderwijs.

Op de terugreis miste ik in Orly bijna mijn aansluiting, omdat ik ... verkeerde inlichtingen had gekregen, op de verkeerde plaats zat te wachten en uiteindelijk (met de sandalen in hand!) naar de andere kant van het vliegveld moest rennen! Eerlijkheidshalve moet gezegd worden, dat,eenmaal in het vliegtuig gezeten, ik voor het eerst bij zo’n gelegenheid gerookte zalm heb gekregen en de piloot van Air France, toen hij de Caravelle (toch zo’n prettig vlieg tuig!) in Schiphol aan de grond zette, zorgde voor de mooiste landing, die ik ooit heb meegemaakt.

 

  Edsger W.Dijkstra