Achtste toespraak, najaar 1975.

Met de regelmaat der seizoenen worden op de TH de hallen, de gangen en de loopbruggen versperd en ontsierd door schreeuwerige, laat ik maat zeggen: tentoonstellingen. Als ik er langs lopend per ongeluk niet tijdig mijn gezicht afwend, welt bij mij als bij Heer Bommel de gedachte op: "Gelukkig, dat mijn goede vader dit niet meer heeft hoeven meemaken." Ook ik heb nl. een goede vader gehad, van wie ik me nog de verontwaardiging herinner, toen zijn eigen NRC voor de pressie tot grotere oppervlakkigheid zwichtte en overging tot het afdrukken van krantenfoto's: mijn goede vader kocht de krant om te lezen en niet om plaatjes te kijken. Dat de redactie ook wel besefte, dat deze beslissing niet helemaal in de haak was en de plaatjes veroordeelde tot een obscuur bestaan op de bovenste helft van de achterste pagina, was slechts een gebrekkige pleister op de wonde.

De inrichters van deze tentoonstellingen hullen zich in een bedenkelijke anonimiteit. Het is zelfs niet erg duidelijk onder wiens auspicieen deze tentoonstellingen worden ingericht. Ik ben bang, dat het ons Studium Generale is; zo ja, dan kan ik slechts hopen dat deszelfs voormannen en voorvrouwen met elkaar nog genoeg Latijn kennen, om zich te realiseren, dat de lading niet meer door de vlag gedekt wordt.

Onlangs was er een tentoonstelling over de barbarij van het Nazidom, met de bekende afschuwelijke tafrelen van razzia's, massatransporten, concentratiekampen en moordpartijen. In mijn onschuld dacht ik, op grond van de foto's, dat de tentoonstelling over de barbarij van het Nazidom ging. Toen ik de tekst ging lezen, werd ik snel uit de droom geholpen. Het was een tentoonstelling met de ongenuanceerde titel "Fascisme is Moord", en een aftreksel van het onmenselijk lijden van millioenen werd misbruikt om de bezoeker er van te doordringen, dat deze ellende het onvermijdelijk gevolg van de macht van het grootkapitaal was geweest; ter onderstreping van deze simplistische stelling werd tussen neus en lippen nog even geinsinueerd, dat na de oorlog de berechting der Nederlandse oorlogsmisdadigers uit de aard der zaak door onze rechtse politici gesaboteerd was.

God, wat eenvoudig! Dat ik, die die tijd nota bene nog zelf heb meegemaakt en alles met eigen ogen heb kunnen zien, deze simpele verklaring niet zelf bedacht heb, is inderdaad ronduit verbijsterend. Ik, die altijd gedacht had, dat Hitler's Nationaal Socialisme met de stichting van het Derde Rijk voor het Germaanse volk de heilstaat op het oog had; ik, die met eigen ogen gezien heb, hoe Hitler een verschopt lompenproletariaat toch maar weer netjes in de uniformen stak; ik, die met eigen ogen heb gezien hoe Hitler, met enorme offers aan intellect, de gewone Duitsers heeft bevrijd van de uitzuiging door het internationale Jodendom. Toegegeven, dat het bij de Jodenvervolging allemaal een beetje uit de hand is gelopen, in hun vuur voor de goede zaak zijn de SA-mannen wel eens een beetje ruwer opgetreden, dan strikt noodzakelijk was. Maar ja, waar gehakt wordt vallen spaanders, nietwaar? Ik als maar denken, dat het zo'n goede linkse dictatuur was, die voor het volk het beste op het oog had, zo'n linkse dictatuur, waarvoor de voorzitster van de PvdA nog best een goed woordje overgehad zou hebben. Hoe is het mogelijk, dit ik nooit heb ingezien, dat het juist een rechtse dictatuur is geweest! Ik begrijp nu ook plotseling, waarom het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie met sluiting bedreigd wordt voordat L.de Jong zijn geschiedsschrijving voltooid heeft: de Jong behandelt die tijd veel te genuanceerd, en dat werkt alleen maar verwarrend.

Na aldus tot Uw maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te hebben bijgedragen, gaan wij over tot de orde van de dag.